Zijn derde roman De gevangenisjaren hakt erin en is nog autobiografisch ook. Erdal Balci, kind uit een Turks migrantengezin, bekent: ‘Ik heb nare details weggelaten omdat lezers het anders niet geloven.’
Voor de leden van het migrantengezin in de roman van Erdal Balci begint de ellende als ze van het Turkse platteland naar de Utrechtse wijk Lombok verkassen. De ik-persoon is elf. Vader werkt er al een paar jaar in de zware metaal. Je denkt als nietsvermoedende lezer nog even: het gezin is herenigd, moeder is weer bij haar man, ze staat er niet meer alleen voor, de vijf kinderen hebben weer een vader. Maar niets is minder waar.
Er volgen achttien jaar van gevangenschap ‘op het Hollandse plateau’, zoals Balci (52) schrijft. Een plek die makkelijk te ontvluchten leek, maar “die in werkelijkheid beter werd bewaakt dan het beruchte Shawshank”.
Daarmee verwijst Balci naar de gevangenis in de Amerikaanse film The Shawshank Redemption (1994), naar een verhaal van Stephen King, waar de corruptie bij bewakers en directie welig tiert. Eén gevangene weet te ontsnappen door een tunnel die hij graaft door de muur van zijn cel, het tunnelgat steeds bedekkend met een poster van een filmster. Zo’n poster die ook op de jongenskamer hangt van de ik-persoon in Balci’s boek, die naar eigen manieren zoekt om te vluchten uit de parallelle wereld waar hij is beland.
In alle boeken van Balci vormen Turkije en Nederland steeds het decor. In zijn vorige roman Simonehh en mijn tweelingbroer uit 2015 zette Balci zichzelf in als fictief personage, als tweelingbroer van een Turkse worstelaar die redding zoekt in Nederland. Drie jaar eerder verscheen De mooiste leugen, over de vraag of er nog redding is voor de man, pendelend tussen het leger en de liefde.
De gevangenisjaren speelt zich af in de jaren tachtig en negentig. Als lezer kijken we even rond in Ardahan, in het dunbevolkte noordoosten van Turkije, en daarna uitsluitend in en rond J.P. Coenstraat 48 bis in Utrecht. Het huis – het bestaat nog – waar de hoofdpersoon vaak uit het raam hangt en waar het enorme tweedehands bankstel niet toereikend was om de aanhoudende stroom bezoekers op te ontvangen.
De passages zijn schrijnend en hilarisch tegelijk. Bezoekers**, ‘met licht gebogen ruggen’ en ‘gezichten als de verf van hun oude auto’s’, allen deel van de Turkse gemeenschap die het gezin van de ik-persoon eronder houden. Ineens wordt er vijf keer gebeden, naar Mekka, iets wat de hoofdpersoon zijn ouders nog nooit heeft zien doen. Het gezin dat dacht een reis naar het hart van de Europese moderniteit gemaakt te hebben, is door toedoen van ‘cipiers’ uit de eigen groep en hun Nederlandse ‘handlangers’ teruggeworpen in de Turkse feodaliteit van voorheen. Zijn moeder die in Turkije experimenteerde met het afdoen van haar hoofddoek, zit er in Nederland aan vast. En vader die graag zijn uren in het koffiehuis spendeert, moet Arabisch leren in de moskee.
......